Evaluatie van overheidspersoneel: het belang van de ongeschreven beginselen van behoorlijk bestuur

Stéphanie De Somer
Postdoctoraal onderzoeker
FWO
Gastprofessor
UNIVERSITEIT ANTWERPEN
Of Counsel
VAN OLMEN & WYNANT

Over de evaluatie van overheidspersoneel is in de rechtsleer veel minder geschreven dan over bijvoorbeeld benoemingen en bevorderingen of tuchtrecht. Toch heeft de Raad van State vooral de afgelopen twee decennia een groot aantal uitspraken gedaan over de (on)wettigheid van evaluatiebeslissingen en/of beslissingen inzake ontslag wegens beroepsongeschiktheid. Die rechtspraak toont aan dat de ongeschreven beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijke rol spelen op dit vlak. De bepalingen inzake evaluatie die men terugvindt in de rechtspositieregelingen zijn vaak eerder summier, onder meer wat de procedure betreft. De beginselen van behoorlijk bestuur vullen die leemten op, zodat een goede kennis van deze rechtspraak cruciaal is voor besturen die juridische procedures achteraf willen vermijden.

Eén van de beginselen waarover recent nog interessante rechtspraak tot stand kwam is de hoorplicht. Meestal is de plicht tot horen – en dus tot het houden van een evaluatiegesprek – normatief verankerd. De modaliteiten zijn echter niet altijd in extenso geregeld. Zo bepaalt de norm niet steeds wie het evaluatiegesprek moet afnemen. Uit de rechtspraak van de Raad van State volgt, net als in tuchtzaken, dat niets verhindert dat een contractueel personeelslid een statutair personeelslid evalueert (RvS 23 februari 2017, nr. 237.469, Barnich). De persoon die de evaluatiebeslissing neemt moet ook niet per definitie zelf het evaluatiegesprek afnemen. Wel is van belang dat de persoon die het personeelslid hoort voldoende affiniteit heeft met diens werkzaamheden (RvS 26 september 2017, nr. 239.216, Hubinon). Ook de mogelijkheid om derden te horen over het functioneren van het personeelslid is zelden geregeld in het statuut. Hier oordeelt de rechtspraak dat een dergelijke hoorzitting niet per definitie tegensprekelijk moet gebeuren, in die zin dat het personeelslid niet aanwezig moet zijn wanneer de getuigen worden gehoord. Wel moet hij of zij nadien de mogelijkheid krijgen om te reageren op de getuigenissen. De Raad van State lijkt echter minstens impliciet te aanvaarden dat de getuigen in kwestie anoniem blijven (RvS 27 februari 2014, nr. 226.575, XXXX).

Deze en andere rechtspraak van de Raad van State over rechtsgeldig en behoorlijk evalueren komt uitgebreid aan bod op de studiedag van 1 maart 2018.

Stéphanie De Somer zal aan de conferentie ‘Overheidspersoneel & overheidspensioen’ op 1 en 2 maart in Brussel deelnemen.